Film: De naam van de roos

RondomJezus.nl

De naam van de roos

De film ‘De naam van de roos’ werd in 1987 uitgebracht, met als regisseur de Fransman Jean-Jacques Annaud en Sean Connery in de hoofdrol. Het verhaal is op basis van de historische roman met de zelfde titel uit 1980 door Umberto Eco (1932-2016), Italiaans schrijver en semioticus (deskundige in betekenisleer, tekens, intertekstualiteit, ‘spie’ (sporen) mentaliteitsgeschiedenis), eigenlijk een uomo universale. (Het verhaal is in 2018-2019 uitgebreider verfilmd in een achtdelige serie door Giacomo Battiato voor de RAI die onlangs op de Nederlandse televisie werd vertoond.)

‘De naam van de roos’ is een buitengewoon belangrijk boek, niet alleen omdat het heel knap geschreven is (Eco is de Harry Mulisch van de Italiaanse literatuur), maar ook omdat het grote probleem van de spanning tussen geloof en wetenschap op een heel verhelderende manier inzichtelijk wordt gemaakt. Juist in de late middeleeuwen ligt het omslagpunt in het Europese denken dat de verhouding tussen Godsvertrouwen en de ervaringswerkelijkheid van mensen nog altijd bepaalt. Een goede theoloog is zich ervan bewust waar hij staat in dit debat, maar deze omslag te beseffen is waardevol voor iedereen

Er bestaat een fundamentele spanning tussen openbaring en ervaring. De 14e eeuw is de tijd van de opkomst van de universiteiten. De wetenschap begint zich los te maken van het gezag van de kerk. Deze ontwikkeling heeft zijn sporen nagelaten in, wat is gaan heten, de strijd om de universalia. Twee scholen komen tegenover elkaar te staan: (dogmatisch) realisme en (pragmatisch) nominalisme. Ik ga dat kort samenvatten: In het realisme wordt aangenomen dat er aan de veelkleurige en onvolmaakte verschijningsvormen van zaken in de wereld, eeuwige ideeën voorafgaan. De filosoof Plato, die leefde rond 400 v.Chr. staat als de grootste vertegenwoordiger van deze opvatting in de Oudheid te boek. Perfectie is er in de hemel. Alles op aarde is een onvolmaakte afspiegeling daarvan. God wordt gevonden in de oorzaken van dingen en handelingen (causaliteit). De veronderstelling was dat verre voorouders in een volmaakter wereld leefden, minder gecorrumpeerd, dichter bij de schepping, met zuiverder kennis. Het christendom heeft zich in grote lijnen hierbij aangesloten (neoplatonisme) en de aanvaarding van het Oude Testament als openbaringsbron speelt daarbij een grote rol (een probleem dat Eco boeit vanwege intertekstualiteit). In de vroege middeleeuwen is op dit christelijk realisme meestal weinig kritiek. Men leeft als het ware met de rug naar de toekomst toe, waarvan men weinig heil verwacht. Dit gaat tegen het eind van de middeleeuwen veranderen.

Scherpe waarnemers van de natuur beseften dat het de zintuigen van de mens zijn die ons helpen om beter te begrijpen hoe de wereld in elkaar zit. Zij registreren: observeren, meten, wegen, vergelijken en tellen. Niet oude openbaringen, opgeslagen in oude boeken, maar nieuwe inzichten brachten volgens hen de wetenschap verder. Voorspellen wat er onder bepaalde omstandigheden in de toekomst gaat gebeuren wordt het doel (wetmatigheden!). De mens draait zich om. De basis voor vooruitgangsgeloof wordt gelegd. Het wezen der dingen en hun oorzaken waren niet vooraf in openbaringen gegeven, maar men kwam het door eigen onderzoek en door zelf scherp te observeren op het spoor. Anders gezegd: inductie, waarbij enige deductie hoogstens hielp bij het stellen van de vragen. Eeuwige waarheden, als ze er al waren, bevonden zich in de dingen zelf. Voorbeeld: Het ideale paard bestaat niet in de hemel (universalia ante res), maar wordt door ons in abstractie herkend in alle verschillende paarden die wij in de wereld kunnen ervaren (universalia in rebus). De vertegenwoordiger in de Oudheid van deze benadering was Aristoteles (4e eeuw v.Chr.). In de film speelt zijn boek Poëtica, waarin het tweede deel over de komedie handelt. Dat boek gaat over relativeren en lachen. Een dergelijk boek was gevaarlijk. Het deed afbreuk aan de ernst en aan de absolute waarheid die de kerk meende te moeten verkondigen. De kerk is de erfgenaam van de Oudheid. In de middeleeuwse kloosters werden allerlei heidense boeken bewaard, die veel monniken zelf niet goed begrepen, maar toch wel spannend vonden: spolia paganorum (buit der heidenen). De bibliotheek is